Praktische lessen
Zelf aan de slag

Angst

Angst

Iedereen is wel eens angstig. Angst is een normale reactie bij dreigend gevaar. Het leidt tot voorzichtigheid of tot vluchten, en kan dus nuttig zijn als je jezelf moet beschermen. 
Soms is er sprake van een angststoornis. Dan is iemand bang terwijl daar weinig aanleiding voor is. Iemand is angstig voor bepaalde dingen of situaties, of maakt zich voordurend zorgen over allerlei dingen uit het dagelijks leven. Vaak gebeurt dit onbewust . De angst is groot, blijft onnodig lang en heeft veel invloed op het dagelijks leven. U bent als het ware bang voor uw eigen angst en bang voor de situaties waarin uw angst naar boven komt. Door de angst probeert u moeilijke en onbekende situaties te vermijden.

 

Een angststoornis komt bij 8% van de mannen voor en bij 13% van de vrouwen.

 

Bijzondere vormen van angststoornissen zijn: sociale fobie, specifieke fobie (voor ding, dier of situatie), paniekstoornis (plotselinge paniekaanvallen), paniekstoornis met agorafobie (straatvrees), obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis), gegeneraliseerde angststoornis (overmatig bezorgd over dagelijkse dingen), posttraumatische stress-stoornis (na een heftige gebeurtenis).

 

Klachten

Veelvoorkomende klachten bij een angststoornis zijn:

  • hoofdpijn, buikpijn
  • spierklachten
  • nervositeit
  • slaapproblemen
  • eetproblemen
  • piekeren
  • rusteloosheid
  • prikkelbaarheid
  • slechte concentratie
  • gespannenheid
  • moeheid


Tijdens een angst- of paniekaanval kunt u last hebben van

  • hartkloppingen
  • pijn of beklemd gevoel op uw borst
  • zweten
  • ademnood en u heeft het gevoel dat u stikt
  • duizelig of u heeft het gevoel dat u flauwvalt
  • trillen
  • misselijk en diarree
  • een doof gevoel of tintelingen in uw armen en benen
  • een gevoel van onwerkelijkheid, alsof u naar een film kijkt
  • snel en hijgend ademen, tintelingen in uw lichaam, prikkels rond uw mond en een droge mond
  • het gevoel dat u de controle over uzelf verliest, gek wordt of doodgaat.

 

Oorzaken

Waarom iemand een angststoornis krijgt, is niet duidelijk. Wel zijn enkele factoren bekend:

 

Lichamelijke oorzaken

- Erfelijkheid speelt een rol. In sommige families komt angststoornissen vaker voor. Je zou kunnen zeggen dat de een meer kwetsbaar is voor angst dan de ander.

- Bepaalde stoffen in je lichaam kunnen zorgen voor angstige gevoelens. Dat geldt voor hormonen (neurotransmitters), medicijnen, alcohol en drugs.

- Bepaalde ziekten kunnen samengaan met angst. Bijvoorbeeld depressie en verslaving. 

 

Wat u meemaakt in uw leven

Ingrijpende ervaringen of gebeurtenissen kunnen ervoor zorgen dat je een angststoornis ontwikkelt. Voorbeelden daarvan zijn schokkende gebeurtenissen zoals een beroving of een ongeluk. Maar denk ook aan scheiding, ontslag, een verhuizing of verlies van een naaste. Het kan gaan om gebeurtenissen die al lang geleden zijn gebeurd, bijvoorbeeld verwaarlozing, als een van je ouders vroeg gestorven is, mishandeling, verkrachting of oorlogsgeweld.

 

Persoonlijke eigenschappen

Bepaalde persoonlijke eigenschappen kunnen iemand extra kwetsbaar maken voor angst. Opvoeding en ervaringen spelen daarbij een rol. Sommige mensen slagen er niet goed in problemen op te lossen of nare gebeurtenissen te verwerken. Of ze durven niemand om steun te vragen en blijven dus alleen met hun probleem. Andere eigenschappen waardoor je kwetsbaar kunt zijn voor angst zijn o.a. gebrek aan zelfvertrouwen, erg veel van uzelf eisen, alles te goed willen doen, bang zijn om te mislukken.

 

Tips, wat kunt u doen?

- Zoek betrouwbare informatie over angst en mogelijkheden voor hulp (boeken en internet).

- Schrijf op wat er gebeurt op angstige momenten. Waar denkt u dan aan? Waar bent u bang voor? Wat voelt u? Hoe reageert u hierop? En wat doet u dan? Is er wel reden voor zo veel onzekerheid, zorgen en gepieker?  Noteer welke gedachten u geruststellen en wat u op angstige momenten kunt doen om te ontspannen. Bijvoorbeeld rustig ademen, even wandelen of iemand opbellen.

Het is goed om te weten dat angst meestal na 60 tot 90 minuten vanzelf minder wordt. Het geeft u misschien de moed om de situaties waar u bang voor bent niet te vermijden. Als u de moed kunt vinden om een angstige situatie te doorstaan, zult u soms merken dat er niet zoveel reden was om bang te zijn. Zo kan uw angst langzaam uitdoven. 

- Praat erover! Blijf er niet alleen mee zitten. Zoek steun bij mensen die u vertrouwt. Dat kunnen familie of vrienden zijn, collega's, vertrouwenspersonen in geloof of gemeenschap. Leg aan hen uit waar u last van hebt. De meeste mensen hebben hier begrip voor.

- Heeft u kinderen? Kinderen voelen het vaak goed aan als het niet goed gaat. Zij kunnen zich schuldig gaan voelen of isoleren. Bespreek met de kinderen wat er aan de hand is, op een manier die geschikt is voor de leeftijd. Er is speciaal voor kinderen informatie beschikbaar. link .

- Doe een zelfhulpcursus waar u leert om anders met uw klachten om te gaan; er zijn schriftelijke en online zelfhulpcursussen.

- Zoek lotgenotencontact. Lotgenoten hebben vergelijkbare dingen doorgemaakt en u voelt zich met een half woord begrepen. De Angst, Dwang en Fobie stichting is een patiëntenvereniging die zich inzet voor mensen met angst- en dwangklachten.

- Vraag advies aan lotgenoten en/of hulpverleners: via chat, telefoon of in een persoonlijk gesprek.

Elke instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGz) geeft cursussen voor het aanpakken van lichte psychische klachten. Bij Arkin preventie kunnen Amsterdammers ook terecht voor een gratis adviesgesprek over de mogelijkheden.

- Gaan de klachten niet over? Of worden ze erger en maakt u zich daar zorgen over?  Maak dan een afspraak met uw huisarts. Uw huisarts kan u helpen bij het vinden van passende hulp in de huisartsenpraktijk of (gespecialiseerde) Geestelijke Gezondheidszorg.

 

Tips voor naasten

- Verzamel informatie over angst en de mogelijkheden voor hulp (boeken, internet).

- Bied een luisterend oor en toon begrip. Geef geen ongevraagde adviezen of tips. 

- Cijfer uzelf niet weg. Zorg goed voor uzelf. Als het niet goed gaat met u, kunt u er ook niet zijn voor de ander.

- Zoek naar evenwicht in uw betrokkenheid. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag. Houd het contact open.

- Stel grenzen. U kunt alle problemen niet oplossen. Ga na wat u wel en wat u niet kunt of wilt doen voor uw naaste en geef duidelijk aan waar uw grenzen liggen.

- Vraag steun (praktisch of emotioneel) aan goede vrienden of familie. Contact met lotgenoten biedt vaak herkenning en erkenning: zij hebben aan een half woord genoeg. Meer informatie vindt u bij Angst Dwang en Fobie stichting en Labyrint In Perspectief.

- Zijn er kinderen? Kinderen voelen het vaak goed aan als het niet goed gaat. Zij kunnen zich schuldig gaan voelen of isoleren. Bespreek met de kinderen wat er aan de hand is, op een manier die geschikt is voor de leeftijd. Er is speciaal voor kinderen informatie beschikbaar. link .

- Als uw naaste in behandeling is, is het ook voor u prettig contact te hebben met de hulpverlening voor uw vragen. Als uw naaste niet wil dat u contact hebt met de hulpverleners, hebt u recht op algemene informatie over de psychische ziekte, de werkwijze van de instelling en de klachtenprocedure. Informeer bij de Familieraad (Naastbetrokkenenraad) of Familievertrouwenspersoon van de instelling  (landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP)

 

Deze informatie is gebaseerd op de volgende bronnen:

Arkin preventie

Fonds Psychische Gezondheid